U-Home
”Where thou art, that is home.“
Emily Dickinson, Amerikaans dichter, 1830-1886
Door Robbert Roos
Huis. Thuis. Habitat. Het zijn paraplubegrippen die een heel concrete betekenis hebben, maar ook metaforisch kunnen worden opgevat. Alle aspecten van ‘thuis’ of ‘huis’ of ‘verblijfplaats’ komen aan bod in de 5de Salon van Utrechtse kunstenaars. Niet als een dwingend motto dat op ieder individueel werk geplakt of geprojecteerd kan worden, maar als een omlijstend begrip dat zijn betekenis vindt in zowel de manifestatie zelf als de expositieplek en individuele werken.
Het is ergens halverwege de jaren negentig dat steeds meer kunstenaars zich gaan bezighouden met de leefomgeving als dicterende conditie. Met name in de fotografie werd steeds veelvuldiger gekeken naar zowel de persoonlijke context als de stedelijke omgeving. Daarin zijn twee ‘stromingen’ te ontdekken: de ‘cleane’ documentair georiënteerde fotografie van de Düsseldorfer Schule met kunstenaars als Thomas Ruff, Andreas Gursky, Candida Höfer en Thomas Struth die een afstandelijke, esthetische positie ten opzichte van die stedelijkheid innam. En de meer sociaal georiënteerde Amerikaanse fotografie met mensen als Nan Goldin, Larry Clark en Jim Goldberg die dicht op het onderwerp zaten en vaak diep doorgedrongen in de subculturen die ze vastlegden. Twee posities, twee visies. Daarnaast kwam een groep kunstenaars op die zich nadrukkelijk met het architectonische idioom binnen de eigen beeldende expressie ging bezighouden. Thomas Schütte in Duitsland en Atelier van Lieshout en Jan van de Pavert in Nederland bijvoorbeeld. Tegelijkertijd zag je de architectuur zelf als discipline een steeds grotere rol gaan spelen binnen de beeldende kunst. Op conceptueel niveau zette Rem Koolhaas de toon, op beeldend gebied werden Frank Gehry en Zaha Hadid wereldsterren.
De reflectie van kunstenaars op de persoonlijke leefomgeving of de stedelijke omgeving is sinds die bewegingen een vanzelfsprekend onderdeel van de hedendaagse kunst geworden. Het is een motief dat in de traditie staat van het oude stadsgezicht, maar ook de vorm van een ‘stilleven’ kan krijgen. Het stadsgezicht had aanvankelijk vooral een topografische of ‘anecdotische’ waarde (zoals de Italiaanse Vedute-schilderijen die door de adel op Grand Tour als ‘ansichtkaart’ werden meegenomen), maar heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een middel om de condities van de (groot)stad zo indringend mogelijk uit te lichten. Het stilleven was vroeger bij uitstek een vehikel voor het verdubbelen van de werkelijkheid, waarin allegorische (of soms moralistische) verwijzingen opgesloten lagen. Het stilleven is een blik op een voorwerp of verzameling objecten die extra indringend naar die voorwerpen doet kijken. Dit kan het verbeelden van sociale (leef)omgevingen zijn, het ‘bevriezen’ van een situatie als een archetypisch voorbeeld, maar het representeren van een specifieke ‘taal’ (bijvoorbeeld een architectonische constructie) in een zelfstandig sprekend beeld.
Zo komt het thema van ‘leefomgeving’ of ‘huis’ (als container) met grote regelmaat terug in de oeuvres van hedendaagse kunstenaars. En daarmee – vanzelfsprekend - ook in het werk van de Utrechtse kunstenaars.
Bij het doornemen van de portfolio’s van de honderd kunstenaars op de shortlist bleek het een weerkerend motief. In foto’s en schilderijen, in installaties, video’s en conceptuele ideeën en natuurlijk in de industriële ontwerpen, waarin het huiselijke object zo’n vanzelfsprekende plek inneemt.
De Nieuwe Salon: “Home is not where you live but where they understand you.”
(Cristian Morgenstern, Duits dichter, 1871-1914)
De Salon is als instituut een restant van de glorieuze periode van de Parijse Academie. Het was de pronkkamer van het ‘huis’ van de Franse kunsten, ook nog eens letterlijk gesitueerd in de Salon d’Apollon van het Louvre Paleis. Als schouwplaats voor de artistieke fine fleur, is het sinds de 18de eeuw een sterke formule gebleken om een brede blik te krijgen op het aanbod binnen een specifieke kunstenaarsgroep. Zo ook in de Provincie Utrecht.
De Salon als pronkkamer van de Utrechtse hedendaagse kunst is een waardevolle, maar ook enigszins problematische positie. Want hoe stevig is dat huis waar die pronkkamer de etalage van is? En vooral: zijn de contouren van dat huis wel aan te geven? In een kunstwereld die steeds kosmopolitischer wordt en waarin identiteiten gedeeld worden van Brazilië tot Vilnius en van Canada tot Mumbai, is het op het eerste gezicht curieus om van ‘Utrechtse kunst’ te spreken. Slechts een klein deel is ook echt ‘uit Utrecht’ (steeds meer kunstenaars die in deze provincie wonen en werken komen uit verre streken) en op een gezamenlijke identiteit is al helemaal geen aanspraak te maken. Een Salon is echter ook de reflectie van een cultureel klimaat. En zo’n klimaat krijgt per provincie anders vorm. Binnen die profilering van het artistieke klimaat – in ieder geval op het terrein van de beeldende kunst, vormgeving en fotografie – vindt de Salon haar betekenis. Van dat artistieke huis is het de schouwkamer én etalage.
Altrecht-Gebouw: “Daar waar je niet bent, daar is het geluk” (quote psychiatrisch patiënt in kunstwerk Korrie Besems op gevel Altrecht-gebouw)
De Vijfde Salon van Utrechtse kunstenaars heeft domicilie gekregen in het oude gebouw van de Willem Arntz Stichting aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht. Op de gevel van dit gebouw hangt sinds 1991 – toen de manifestatie ‘Nachtregels’ werd georganiseerd door het Centraal Museum – in neon de rebusregel ‘daar waar je niet bent, daar is het geluk’. Kunstenares Korrie Besems haalde de zin uit een patiëntenverslag. Het is een melancholische reflectie op de problematische ‘plaats’ van de psychiatrische patiënt. Het weerspiegelt een mentale conditie die van ontheemding spreekt, in ieder geval in de mentale staat van de betrokken persoon.
Het Altrecht-gebouw was als ziekenhuis ongeveer dertig jaar een ‘thuis’ voor psychiatrische patiënten. Ze woonden er, leefden er, recreëerden er. De sporen van deze bewoning zijn nog tastbaar in het gebouw. Het is echter een gemankeerd ‘thuis’, dat weinig met geborgenheid te maken heeft, hooguit de relatieve geborgenheid van een interne behandeling. Het was een ‘huis’ buiten de normale orde der dingen. Een schuilplaats, een noodzakelijk kwaad, een confronterende omgeving, een toevluchtsoord, een plek vol verwarring. Ook nog eens in samenleefverbanden met andere patiënten, met hun eigen problemen en obsessies.
De condities in het pand weerspiegelen de aard van de plek: kleine slaapkamers, gemeenschappelijke ruimtes, keukens, behandelkamers, recreatieruimtes, een sporthal, maar ook separeercellen. De wanden zijn geschilderd in een ‘rustgevende’ groenblauwe kleur. De neutraliteit van de ruimtes geeft een idee van het ‘ziekenhuisgevoel’. Het zijn condities die absoluut niet museaal zijn, maar wel uitdagend voor kunstenaars om op te reageren, zoals een aantal voor de Salon ook doet met speciale installaties. Zoals ook de mentale condities van dit ‘huis’ uitdagend zijn.
Kunstenaars: “Home is where you hang your head” (Groucho Marx, Amerikaanse cabaratier, 1890-1977 )
Aan het hierboven geschetste spanningsveld van condities – de provincie als ‘thuis’ voor Utrechtse kunstenaars, de Salon als etalage, het Altrecht-gebouw met de getroebleerd status als ‘huis’ – voegen de kunstenaars hun eigen visies en artistieke inzichten toe.
De fascinatie van de geselecteerde kunstenaars voor de condities van de hedendaagse maatschappij uit zich niet in een zwaar geëngageerd standpunt, maar eerder in een persoonlijke positie ten opzichte van de staat en identiteit van de samenleving en dat vaak vanuit een autobiografisch perspectief.
Er komen een aantal vragen bovendrijven bij het bekijken van het werk. Wat zijn de waarden die de kaders voor ons idee van ‘huis’ vormen? Welke rol speelt nostalgie daarin? Of angst? Waar in de samenleving als woonomgeving eindigt individualiteit en begint collectiviteit? En wat is in meer algemene zin de visie op ‘thuis’?
Het zijn direct invulbare, maar ook metaforische en filosofische vraagstukken die op uiteenlopende manieren aan bod komen in de oeuvres van een deel van de getoonde kunstenaars.
Een aantal houdt zich heel concreet bezig met het verbeelden van de stedelijke omgeving. Kunstenaars als Jan Ros, Martin Luijendijk, Joris van der Horst en Robbie Cornelisse nemen bijvoorbeeld huizen en gebouwen als vertrekpunt voor hun werk, waarbij de een zich concentreert op representatie en de ander vanuit de eigen verbeelding een architectonische omgeving schept. Op de Salon is ook een groep etsen te zien van de onlangs overleden Dirkje Kuik. Als hommage aan de ‘grande dame’ wordt een serie Venetiaanse ‘vedutes’ getoond, die in hun intensiteit een mooi referentiekader vormen voor haar jongere collega’s.
De architectonische beeldtaal vormt vooral voor een aantal installatie-bouwers een belangrijk vertrekpunt. Elaine Vis, Iris Frerichs, Thijs Trompert & Mariesja Smit, Uli Kürner, Mathijs Lieshout zullen in hun kamers speciaal ruimtelijke constructies maken, die zowel reageren op de specifieke context van het Altrecht-gebouw, als vraagstukken over herbergzaamheid aan de orde zullen stellen. Zoals Ienke Kastelein in haar sferische video’s ruimtes op een intensieve manier ‘aftast’ en Ruud Kuijer in zijn beeldhouwwerken tot een balans komt van abstracte (architectonische) vormen en vormen ontleent aan alledaagse objecten.
Als het aankomt op de reflectie op ‘habitat’, ‘huiselijkheid’ en ‘plaats’ komt het werk van Kostana Banovic, Henk van den Bosch, Frank Halmans, Bob Negrijn, Chantal Ehrhardt, Gemma Pauwels, Rob Hornstra, Lenneke van der Goot, Igor Sevcuk, André Groothuizen, Monique Kwist, Marcel Blekendaal, Annette Krauss en Francine Claassen in beeld. Allen bouwen of verbeelden een wereld die als een ‘interior view’ is op te vatten. Het gaat van collages met autobiografische foto’s en documenten, tot representaties van interieurs (zowel in foto’s, als schilderijen en fysieke installaties) en conceptuele projecten over omgang met ruimte. Een aantal kunstenaars kiest voor een sociale invalshoek, waarbij de aard en identiteit van de hedendaagse maatschappij (als het collectieve ‘huis’ waarin wij wonen) centraal staat. Een ‘buitenbeentje’ is Blekendaal die ‘verhalen vertellen’ tot zijn medium heeft gekozen. Hij zal met gesproken tekst een ruimte ‘elders’ tastbaar proberen te maken in de beslotenheid van de kamers van het Altrecht-gebouw.
Waar bovenstaande kunstenaars vanuit de werkelijkheid vertrekken, zoeken Roland Sohier & Tanja Smeets, Martijn Gerritse en Michel Manten hun heil in de fantasie voor het creëren van een parallelle wereld met weer een geheel eigen ‘habitat’. Wanneer je sprookjes opvat als een echo van de ‘echte’ wereld – a la Alice’s Wonderland – dan kun je daar ook een commentaar in lezen op de staat van die wereld.
De meest directe invulling van het thema is te vinden bij de industriële vormgevers die hun utilitaire objecten ontwerpen en heel letterlijk het ‘huis’ vormgeven (in ieder geval het gebruik ervan). Groene Honden, Lotte van Laatum, Muurbloem en Tejo Remy zijn hier voorbeelden van. Dit soort huiselijke objecten zijn echter ook inzetbaar voor een autonome verbeelding. En daar komen Rob Zimmerman, Gerard van den Berg en Oskar de Kiefte in beeld. Zij borduren voort op voorwerpen die voor ons alledaagse gebruik doodnormaal zijn, maar in de handen van bovenstaande kunstenaars een (soms absurdistische) eigenzinnige draai krijgen. Tot het domein van de ‘huiselijke objecten’ behoren ook de beeldjes die vaak als decoratie woonkamers sieren. Marliz Frencken geeft daar haar eigen interpretatie aan van in hars gegoten poppen, die refereren aan de overdadige barokke beeldtaal van de ‘Biedermeier’-cultuur. Ook Harmen Brethouwer houdt zich bezig met het ‘decoratieve’, normaal gesproken met objecten, in de Salon met een serie schilderijen.
Als je goed kijkt, kun die decoratieve objecten – die zo belangrijk zijn voor het kleuren van de identiteit van een huis - ook terugvinden in de schilderijen van Peter Miedema en Mary Waters. Beiden bedienen zich van de ‘traditionele’ figuratie. Miedema door het schilderen van hyperrealistische portretten en interieurstukke, Waters door terug te grijpen op de Hollandse (genre)schilderkunst van bijvoorbeeld Vermeer.
Alle hierboven genoemde kunstenaars verhouden zich op de een of andere manier tot het thema ‘home’. De context blijft echter het Salon-idee, wat een breder perspectief suggereert dan het korset van een thema. Een aantal kunstenaars laat zich daar dan ook niet precies in voegen. Zij hebben hun eigen autonome positie binnen de Salon die een dwarsdoorsnede wil zijn van het aanbod aan beeldende kunst en vormgeving in de provincie Utrecht, ook wat gehanteerde media betreft. Vooral het aanbod nieuwe media is nog nooit zo groot geweest en ook de vormgeving komt uitgebreider dan ooit aan bod. In een parallelexpositie bij Genootschap Kunstliefde heeft ook de grafische vormgeving een plek gekregen. Zo krijgt de Nieuwe Salon een groter reliëf.
Tot de autonomen behoren schilders als Sadik Alfraji, Jan Koen Lomans (al weeft die ook weer wandkleden die een huiselijke connotatie hebben), Jasper Hagenaar en Hidenori Mitsue en multimedia-kunstenaars als Bas van Koolwijk, Wouter van Veldhoven, Zesbaans, Martin Boverhof en Job, Joris & Marieke. Hun ‘wereld’ is vaak abstract en zelfverwijzend.
Enigszins buitenbeentjes zijn ook de fotografen Jan Banning en Raymond Rutting die vanuit de (journalistieke) reportagefotografie hun reflectie op de maatschappij tonen. Banning reist veel en verbeeldt vanuit een ‘tweede’ blik de samenlevingen die hij bezoekt. In de Salon toont hij een serie bejaarde mannen met ontbloot bovenlijf: oud-dwangarbeiders aan de Birma spoorlijn. Toen onder helse omstandigheden ontheemd en nu wel thuis, maar ook nog altijd ‘daar’. Een intensiteit die in de portretten van Bannning opgesloten ligt. Rutting op zijn beurt zit dicht op het nieuws en was daardoor ooggetuige van onder meer de tsunami-ramp in Zuid-Oost Azië, waar in iets meer dan een split second complete dorpen werden weggespoeld.
De bredere opzet van de Nieuwe Salon geeft meer mogelijkheden om een gelaagd beeld te geven van het beeldende kunstklimaat in de provincie Utrecht. Het geeft ook de mogelijkheid om een thema veelomvattender in beeld te krijgen, zonder dat het als pars pro toto voor de Utrechtse kunst hoeft te worden opgevat. De Salon laat zien hoe vitaal de Utrechtse kunstwereld is. En hoeveel kamers de Salon als ‘huis’ kan vullen.
Robbert Roos

